zondag 17 juni 2012

'Niet meer dokteren, maar wat dan?'

Als je uitgedokterd bent, moet je je ziekte verwerken. Maar wat houdt dat in, vraagt Renée Braams zich af.

Als je met een chronische, ongeneeslijke ziekte niet je dagen wilt vullen met het aflopen van dokters, op zoek naar eentje die je alsnog genezing belooft, wat dan?

Dan zegt het spraakgebruik dat je de ziekte moet verwerken of er een plekje aan geven. Dat eerste cliché zegt me weinig, met het tweede kan ik wél iets (wordt vervolgd).

Wat is verwerken, denk ik vaak. Ik weet het echt niet, en ben daarom op zoek gegaan naar de bron van het begrip. Dat is het boek On death and dying van de Zwitsers/Amerikaanse psychiater Elisabeth Kübler-Ross uit 1969.

Via mijn daisyspeler beluister ik de Nederlandse vertaling die Lessen voor Levenden heet. Het gaat over de vijf fasen van de rouwverwerking. We kennen dat rijtje van vijf stadia allemaal, maar de geestelijk moeder ervan (1926-2004) is in het vergeetboek geraakt.

Allereerst doe je of er niets aan de hand is, of je gaat gewoon op zoek naar een dokter of kraker met beter nieuws: de ontkenningsfase. Na de ontkenning word je boos, op de ziekte, maar, beschrijft Kübler-Ross: vooral op de dokter. Dan ga je marchanderen: je soebat en vecht om de Goden gunstig te stemmen.

Daarna ga je in een hoekje zitten kwijnen en uiteindelijk komt de aanvaarding. In die laatste fase voel je je niet expliciet gelukkig, je voelt je kalm, er is een afwezigheid van gevoelens, zegt Kübler-Ross.

Wat me in haar boek het meest raakt, is het tijdsbeeld: in 1969 was het nog niet gebruikelijk om over ziekte, verval en de naderende dood te spreken met je familie en je dokter. De patiënten die Kübler-Ross samen met haar studenten urenlang interviewt over hun leven en hun nabije dood, beleven stuk voor stuk een grote catharsis door het enkele feit dat ze voor het eerst hun hart luchten bij vriendelijke mensen die maar luisteren en luisteren...

Je uitspreken heeft nu niet meer de waarde die het vroeger had, denk ik. Of is dat cynisch? Praten over intieme dingen is alledaags geworden, ziektegeschiedenissen hoor je op elk tramritje. Is huilen een middel om leed te verwerken nu praten zijn glans heeft verloren? Dat vraag ik me vaak af op de dementenafdeling waar ik muziek maak.

Soms zet ik de kraan even open, zo noem ik het in mezelf, als ik het gevoel heb dat tranen verlichting zouden kunnen brengen. Dan zet ik het lied 'Ach Margrietje, de rozen zullen bloeien' in. Mevrouw Winkelier krijgt dan eerst rode ogen en dan rollen de tranen over haar wangen. Ze kijkt naar mij, iedereen kijkt naar haar, veel dames en ook heren schieten vol.

Mevrouw Winkelier kan aan die tranen ook nog woorden geven, waarmee ze voor iedereen spreekt: 'Ik huil omdat het hier goed is, zo samen met elkaar, maar omdat je toch je ouders zo mist.' De anderen snikken instemmend. Is dat verwerken?

Ik heb wel geleerd van het boek van Kübler-Ross. Ik dacht altijd dat ik geen woede op mijn oogziekte voelde, maar ... boosheid op de dokter, dat ken ik wel. En het besef dat die boosheid niet op z'n plaats is, voelt volwassen.

Bij het woord aanvaarding, waar het allemaal om draait, denk ik aan het mooie lied 'Dank u voor deze nieuwe morgen, dank u voor deze nieuwe dag', dat ik elke week met mijn demente mensen zing. Dat lied wekt tranen op, net als 'Ach Margrietje'.

Weer is het mevrouw Winkelier die het kan verwoorden: 'Het is zó mooi, dank u voor deze nieuwe morgen, maar ik kán het niet zingen.' Het lied confronteert je keihard met de vraag of je nog blij kunt zijn dat je wakker wordt. Wie erom huilt, huilt van levensvreugde, zo voel ik het.

Renée Braams is Neerlandica, muziekdocent en columnist van vk.nl


Geen opmerkingen:

Een reactie posten